De korenmolen die werd opgeblazen.
De Lier -
In augustus 1994 was het vijftig
jaar geleden dat de bezetters de korenmolen bij Westerlee opbliezen.
De molen heeft een eeuwenlange, roemruchte geschiedenis. De molen
wordt voor het eerst vermeld in 1353 in de grafelijke leenregisters.
In deze registers liet de graaf aantekenen aan wie hij bepaalde
rechten had gegeven. Helemaal zeker is men niet. Genoemd wordt de
Hoernemolen, in de buurt van een Groeneweg. Hoerne zou een
verschrijving van Koerne (=3Dkoren) kunnen zijn. Meer zekerheid is
er in 1393. In dezelfde leenregisters staan 'de molen, molenwerf en
de wind; vermeld. Eigenaar was Gerijt van Heemskerck, waarna velen
anderen volgen. In 1604 blijkt Adryaan Cornelisz de molenaar en in
1620 Leendert Fransz den Aert. In 1627 sterft deze molenaar en zijn
vrouw weduwe Neeltje Jans, verkoopt de molen voor 3200 gulden aan
haar zoon Jacob Lenaertsz, die als achternaam Van der Lee aanneemt.
Hij laat de standaardmolen rond 1630 vervangen door een wipmolen,
wat makkelijker te hanteren is met de maalstoelen op de begane
grond. Deze wipmolen gaat ongeveer 150 jaar mee, totdat in 1788
Willem de Oude molenaar wordt. Hij wil met zijn tijd meegaan en
sterker en groter worden. De molen wordt vervangen door een ronde,
stenen grondzeiler. Naast de molen komt een woonhuis en schuurtje
vlak langs de Hoefweg (thans Leeweg), vlakbij de brug over de Lee.
Aan de andere zijde van de brug staat tot de huidige dag de
Leewoning. Na tien jaar verkoopt Willem de Oude de korenmolen aan
Bernardus Nieuwland, welke hem slechts vijf jaar bezit. Het zijn
woelige tijden wegens de Franse overheersing, met veel onzekerheden
in de handel.
Stoom
De molen van Westerlee is gaandeweg
door de mechanisatie verbeterd. In 1891 wordt een stoomwerktuig
geïnstalleerd, met een stoomketel van tien pk, 'dienstig om de
bestaande maalstenen in de windmolen met stoom aan te drijven;. Op
windstille dagen is de molen nu ook in bedrijf om graan te malen. Al
in 1914 wordt de stoommachine vervangen door een zuiggasmotor, welke
twee koppels maalstenen afwisselend kan aandrijven. Eigenaar Wim van
der Plas, die de molen voor 20.000 gulden van zijn vader heeft
overgenomen, breidt de molen en de twee pakhuizen uit. Hij koopt een
deel van een pakhuis, bergplaats en varkensschuur erbij. Blijkbaar
hield hij ook varkens, waarvan de mest wel in de tuinderij werd
gebruikt. In 1931 wordt de zuig-gasmotor vervangen door een
dieselmotor, de Crossley-Engeland met 40pk. Inmiddels werd het
transport intensiever en werd na enige jaren een Ford vrachtwagen
aangeschaft. De paarden en wagens verdwenen. Nog enige tijd bezat
men ook een schuit voor aan- en afvoer over het water naar de
cliënten. Soms kwam een beurtschipper afmeren achter de houten
schuur, welke naast het woonhuis stond. Een eenvoudige
hijsinstallatie haalde de zakken maïs of ander graan omhoog in het
pakhuis, vanwaar het verder via de molenstenen tot meel werd
vermalen. Rond 1933 raakte de molen zichtbaar verouderd. De wieken
zoefden steeds minder door de lucht en afbraakplannen begonnen
steeds scherper vorm aan te nemen. In 1938 was het zover. De roeden,
as, bovenwiel en ander drijfwerk met de complete kap en
buitenkruiwerk werden van de bijna 150 jaar oude molenromp genomen
en een licht gepunte afdekkap werd gemonteerd. Een 'peperbus' was
het resultaat. Een elektrische hamermolen maalde nu het graan,
speciaal voor veevoer.
Oorlog
De oorlog bezorgde de
molenaarsfamilie een moeilijke tijd. Dure vergunningen om aan
graantoewijzing te komen maakten het werk niet eenvoudiger. In 1943
vorderden de Duitsers de vrachtauto van de molen, die inmiddels als
maalderij werd omschreven. Voor de molenaarsfamilie Van der Plas was
er al een aantal jaren een andere, extra zorg bijgekomen. De oude
Jan van der Plas leed al een aantal jaren aan tbc. Na een lang
ziekbed overlijdt hij op 6 mei 1942. Zoon Wim en docter Lenie hadden
ook tbc en de nog jonge Wim stierf op 20 juli 1942. Enige jaren
later volgde Lenie, pas 18 jaar oud. Weduwe Van der Plas trekt uit
haar woning aan de Leeweg naar haar schoonzoon, die molenaar is te
Goudswaard. Zij overlijdt op Tweede Kerstdag dat jaar, oud 75 jaar.
Op de molen blijft de vrouw van Wim van der Plas achter, Maartje de
Munnik met haar kinderen Lenie, Bep en Jan. De knecht Rien Huis
draait zo goed en zo kwaad als het gaat verder met het bedrijf.
Ondertussen zijn de Duitsers in de omgeving druk bezig om zich in te
graven tegen de verwachte landing van de geallieerden. Tankgrachten,
versperringen en bunkers worden aangebracht. De Leemolen stond in de
weg en moest verdwijnen. De molenaars zagen de bui hangen en
begonnen de molen tijdig te slopen. De dieselmotor dook onder bij
een tuinder. Een koppel maalstenen ging naar graanhandel Van Vliet
in De Lier. In augustus 1944 naderde het einde van de Leemolen. De
molenaarsfamilie en de omwonenden moesten hun huis verlaten en
werden aangeraden de vensters met platen dicht te spijkeren, wegens
de opblaasplannen van de Duitsers. Tot driemaal toe werd een
springlading aangebracht in de romp. Het bouwwerk werd tot puin
gereduceerd. Het huis en schuren werden direct daarna gesloopt. Een
kale plek bleef over bij de Leebrug. In 1950 zette de voormalige
knecht Rien Huis het maalbedrijf voort. Dat functioneerde slechts
tot 1958, waarna maalderijgebouw en woonhuis werden verkocht aan de
Coöp.. Tuinbouwvereniging Westerlee. Tot op de dag van vandaag staan
daar thans nog de gebouwen.
De verdwenen korenmolen was bijna 500 jaar
oud.